Drie vlinders, één brandnetel
Hoe klimaatopwarming en stikstofdepositie de voedselplant van atalanta, dagpauwoog en kleine vos kunnen veranderen. De atalanta, dagpauwoog en kleine vos behoren tot onze bekendste tuinvlinders. Hun rupsen zijn alle drie afhankelijk van de brandnetel. Toch vertonen de drie soorten in Vlaanderen geen gelijke trend. Dat wijst erop dat niet alleen de aanwezigheid van brandnetels telt, maar ook hun kwaliteit, groeifase en standplaats.
In één oogopslag: de atalanta neemt toe, de dagpauwoog blijft gemiddeld stabiel en de kleine vos gaat achteruit. Dezelfde waardplant leidt dus niet automatisch tot dezelfde uitkomst.

De brandnetel op het juiste moment
Voor deze rups is een brandnetel de belangrijkste voedselbron. Een jong blad in mei verschilt sterk van een volgroeid blad in juli. In het voorjaar bevatten brandnetelbladeren doorgaans veel water en stikstof. Rond de bloei, meestal vanaf juni, nemen het vocht- en stikstofgehalte af. Tegelijk stijgt het aandeel koolstofrijke structuren zoals vezels. De bladeren worden daardoor minder mals en vermoedelijk moeilijker te verwerken voor snelgroeiende rupsen.

Dat moment is belangrijk. Rupsen van de dagpauwoog zitten vooral van eind april tot half juli in groepen op brandnetels. Bij de kleine vos verschijnen rupsen gewoonlijk in mei-juni en opnieuw in juli-augustus. De atalanta heeft door zijn trekgedrag een langere en wisselender voortplantingsperiode: rupsen kunnen van mei tot ver in het najaar worden gevonden. Atalantavrouwtjes kiezen daarbij vaak jonge brandnetels op vochtige, zonnige plaatsen.
De eerste rupsen van dagpauwoog en kleine vos profiteren meestal nog van jonge voorjaarsnetels. Een eventuele tweede generatie moet het vaak stellen met oudere, bloeiende of door zomerhitte uitgedroogde planten, tenzij maaien, begrazing of beschadiging voor verse hergroei zorgt.
Meer stikstof: goed of slecht?
Grote brandnetel is van nature een soort van voedselrijke bodems. Door bemesting en atmosferische stikstofdepositie is de plant bovendien sterk vertegenwoordigd in het West-Europese landschap. Meer stikstof kan niet alleen meer brandnetels opleveren, maar ook hun bladsamenstelling veranderen: het stikstofgehalte stijgt en de verhouding tussen koolstof en stikstof daalt.

In een gecontroleerd experiment kregen rupsen van dagpauwoog en kleine vos brandnetels met verschillende hoeveelheden stikstof. Op de bemeste planten overleefden meer rupsen, duurde de rupsenfase korter en ontstonden zwaardere poppen. Voor deze twee soorten was stikstofrijker voedsel dus overwegend gunstig. Een snellere ontwikkeling verkort bovendien de periode waarin rupsen kwetsbaar zijn voor slecht weer, predatoren en parasitoïden.
Dat betekent niet dat stikstofdepositie zonder meer goed nieuws is. Planten hebben naast stikstof ook fosfor, kalium en andere voedingsstoffen nodig. Wanneer stikstof sterk toeneemt zonder dat andere elementen volgen, kan een onevenwichtige voedingswaarde ontstaan. Onderzoek met het landkaartje, eveneens een brandnetelvlinder, toont dat rupsen bij warmere omstandigheden vooral goed presteren wanneer de voeding niet alleen stikstofrijk, maar ook evenwichtig is.
Warmte kan helpen – tot de brandnetel verdroogt
Ook de standplaats bepaalt de voedselkwaliteit. In veldproeven groeiden rupsen van de kleine vos langs warme akkerranden gemiddeld sneller dan rupsen op brandnetels in het bos. De resulterende vlinders waren zwaarder, hoewel de brandnetels langs de akker chemisch niet op alle punten gunstiger waren. Het warmere microklimaat woog hier blijkbaar sterk door.

Bij de dagpauwoog lag de overleving in dezelfde studie juist hoger in het koelere bos. De brandnetels waren er beter beschermd tegen uitdroging en hadden een hoger stikstofgehalte. Dagpauwoogvrouwtjes kiezen vaak beschutte, vochtige brandnetelplekken langs bosranden, houtkanten en bospaden. De kleine vos zoekt doorgaans zonnigere, opener netelplekken op. Wat voor de ene soort ideaal is, hoeft dat voor de andere dus niet te zijn.
Bij extreme warmte slaat het voordeel van een zonnige standplaats om in een risico. Tijdens hete, droge zomers kunnen bovengrondse delen van brandnetels snel verdorren. Waterstress verlaagt het vochtgehalte en de groei van de plant en kan ook de concentratie van afweerstoffen en brandharen veranderen. Of al deze veranderingen de drie vlinders rechtstreeks schaden, is nog onvoldoende onderzocht, maar droge en verouderde brandnetels leveren duidelijk minder bruikbaar voedsel.
Waarom verdwijnt vooral de kleine vos?
De veranderende brandnetelkwaliteit vormt waarschijnlijk maar één deel van het verhaal. De atalanta is een zeer mobiele trekvlinder. De Vlaamse aantallen worden mede bepaald door immigratie uit Zuid-Europa en door de groeiende mogelijkheid om noordelijker te overwinteren. Plaatselijke verliezen kunnen daardoor telkens opnieuw worden aangevuld door nieuwe aankomers.

De dagpauwoog kan sterk schommelen na droge of natte zomers, maar blijft over de langere termijn gemiddeld stabiel. De kleine vos verliest daarentegen terrein. In Nederland is bovendien zichtbaar dat de vroegere tweede en derde zomergeneraties steeds kleiner worden. Steeds meer vlinders van de eerste generatie lijken onmiddellijk in overwintering te gaan, waardoor het vroegere vermenigvuldigingseffect uitblijft.
Temperatuur, voedselkwaliteit, droogte, parasitering en de hormonale beslissing om zich voort te planten of in diapauze te gaan, kunnen hierbij gezamenlijk een rol spelen. Een sluitende verklaring is er voorlopig niet.
Niet zomaar “brandnetels laten staan”
Wie deze vlinders wil helpen, zorgt daarom het best voor variatie. Laat de waardplanten staan op zowel zonnige als halfbeschaduwde, vochtige plaatsen. Maai nooit alle netelplekken tegelijk en controleer vooraf op eitjes, spinselnesten en rupsen. Door een deel gefaseerd te maaien kan later in de zomer verse, vocht- en stikstofrijke hergroei ontstaan, terwijl bezette planten behouden blijven.
Zorg daarnaast voor voldoende nectarplanten van het vroege voorjaar tot de herfst. Stikstof kan brandnetels bevoordelen, maar tegelijk de bloemenrijkdom van graslanden en bermen verminderen. Voor volwassen vlinders kan een landschap met veel brandnetel maar weinig nectar dus alsnog ongeschikt zijn.
De brandnetel is kortom niet zomaar een waardplant die aanwezig of afwezig is. Voor een rups telt ook waar de plant groeit, hoeveel water zij krijgt, hoe jong de bladeren zijn en hoe haar voedingsstoffen in balans zijn. Dat drie vlinders op dezelfde plant zulke verschillende trends vertonen, maakt duidelijk hoe subtiel de gevolgen van klimaatopwarming en stikstofvervuiling kunnen zijn.
Praktisch beheer in vijf regels
- Behoud zowel zonnige als halfbeschaduwde brandnetelplekken.
- Maai gefaseerd en nooit alle brandnetels in één keer.
- Controleer vooraf op spinselnesten, eitjes en rupsen.
- Laat na een maaibeurt ook verse hergroei beschikbaar komen.
- Combineer waardplanten met een lang seizoen aan nectarplanten.
Bronnen en verdere lectuur
De onderstaande bronnen vormden de basis voor dit artikel. De wetenschappelijke kennis over de gecombineerde effecten van opwarming, droogte, stikstofdepositie en waardplantkwaliteit is nog in ontwikkeling.
- INBO — Dagvlindermonitoring in Vlaanderen 2025
- Kurze et al. — Nitrogen enrichment and nettle-feeding butterflies, Acta Oecologica (2017)
- Natuur.focus — Netelvlinders en waardplantkwaliteit (2015)
- Natuurpunt — Soortenfiche dagpauwoog
- De Vlinderstichting — Atalanta
- De Vlinderstichting — Rapportage over trends en generaties van de kleine vos
- VUB Research Portal — Onderzoek naar stikstof, temperatuur en ontwikkeling bij het landkaartje
- British Ecological Society / Journal of Ecology — Seizoensverandering in brandnetelkwaliteit
Kernboodschap: niet alleen het aantal brandnetels telt, maar ook hun leeftijd, vochttoestand, standplaats en voedingsstoffenbalans tijdens de rupsenfase.
Tekst en foto’s (behalve kleine vos): J. Vanbuiten